Pagina 1 van 2
Neuro-inclusief leiderschap
Hoe jouw organisatie werkt
1. Hoe verlopen vergaderingen meestal? (kies 1-4 antwoorden)
*
A
Vooraf: deelnemers krijgen een agenda en kunnen schriftelijk of mondeling input geven.
B
Tijdens: er worden verschillende werkvormen gebruikt (bv. rondes, schriftelijke input, werken in kleine groepjes, ...).
C
Tijdens: de tijd wordt bewaakt en het agendapunt wordt duidelijk benoemd.
D
Achteraf: er is een verslag met duidelijke actiepunten en verdere feedback is mogelijk.
E
Geen van deze.
2. Hoe flexibel zijn de werkafspraken in jouw organisatie (kies één antwoord)
*
3. Hoe ondersteunt jouw organisatie duidelijkheid, focus en mentale rust in het dagelijkse werk? (kies 1-4 antwoorden)
*
A
Het is duidelijk waar belangrijke informatie te vinden is.
B
Het is duidelijk welk kanaal we gebruiken voor welk soort vraag of bericht.
C
Er zijn duidelijke afspraken die onderbrekingen beperken, bijvoorbeeld over chat, telefoon, vergaderingen of bereikbaarheid.
D
Medewerkers kunnen expliciet tijd vrijhouden voor focus of herstel.
E
Geen van deze.
4. Hoe vaak komen de volgende werksituaties voor in jouw organisatie?
*
Amper
Nu en dan
Vaak
Eenvoudig:
het werk verloopt volgens vaste procedures, en de juiste aanpak is duidelijk beschreven.
Ingewikkeld:
er is een juiste aanpak, maar je hebt expertise of analyse nodig om die te kennen.
Complex:
wat werkt, is vooraf niet te voorspellen. Je moet uitproberen, bijsturen en onderweg leren.
Chaotisch:
er is een crisis die aangepakt moet worden ("brand blussen").
5. Wat klopt voor jouw organisatie? (kies 1-4 antwoorden)
*
A
Het is veilig om vragen te stellen en toe te geven dat je iets niet weet.
B
Nieuwe ideeën worden gehoord, ook als ze op het eerste zicht "raar" lijken.
C
Als iemand aangeeft moeite te hebben met een bepaalde manier van werken, zoeken we samen naar oplossingen.
D
Mensen kunnen fouten toegeven zonder dat ze hier direct op afgerekend worden.
E
Geen van deze.
6. Wat gebeurt er meestal wanneer iemand om een aanpassing vraagt? (kies 1 antwoord)
*
7.Hoe leren leidinggevenden omgaan met verschillende denk- en communicatiestijlen? (kies 1-4 antwoorden)
*
A
Er is een leiderschapsprogramma gebaseerd op inclusief leiderschap.
B
Leidinggevenden krijgen opleiding over (neuro)diversiteit en inclusie.
C
Leidinggevenden krijgen coaching of mentoring over het omgaan met verschillen.
D
Er zijn specifieke hulpmiddelen of kaders die leidinggevenden helpen om verschillen te herkennen en ermee om te gaan.
E
Geen van deze.
F
Weet ik niet.
8. Hoe stimuleert jouw organisatie verschillende manieren van denken en communiceren bij leidinggevenden? (kies 1–4 antwoorden)
*
A
De selectie van leidinggevenden houdt rekening met verschillende manieren van denken, communiceren en problemen oplossen.
B
Leidinggevenden staan stil bij de impact van diversiteit (of het gebrek eraan) op hun beslissingen.
C
Er is een leiderschapsontwikkelingsprogramma dat rekening houdt met verschillende denk- en communicatiestijlen.
D
Strategische projecten worden geleid door uiteenlopende types leiders.
E
Geen van deze.
F
Weet ik niet.
9. Hoe groeien medewerkers door in jouw organisatie? (kies 1-4 antwoorden)
*
A
Op hun eigen tempo: er is geen minimum- of maximumtijd in een functie; relevante ervaring, competenties en ambities worden meegenomen.
B
Op basis van hun sterktes en de essentiële competenties voor de volgende functie: medewerkers hoeven niet overal goed in te zijn om door te groeien.
C
Op een manier die bij hen past: doorgroeien kan hiërarchisch, maar ook via specialisatie, verbreding of hybride functies.
D
Met ondersteuning: leidinggevenden kennen de ontwikkelingswensen van medewerkers en begeleiden hen met opleiding, mentoring en gerichte ontwikkelkansen.
E
Geen van deze.
F
Weet ik niet.
10. Welke doet jouw organisatie rond neurodiversiteit? (kies 1 antwoord)
*
Volgende